Anders Chandigarh
Anders
Als er een etiket op Chandigarh past is het wel “anders”. De stad die een paar honderd kilometer noordwestelijk van Delhi ligt, is eigenlijk heel gewoontjes. Een doorsnee westerse stad. Heerlijk. Weinig bedelaars, nauwelijks smog, amper getoeter, geen koeien, varkens en buffalo’s op straat. Geen afval, geen stank, geen pislucht. Groen, veel groen. Geen ongeorganiseerde huizenbouw. Nette rechte straten, nette rechte huizenblokken, woonwijken met eengezinswoningen en een ruime tuin. What happened to the chaos of urban India?
Le Corbusier
Met de Scheiding verloor de Punjab haar hoofdstad Lahore aan Pakistan. Tegelijkertijd kwamen miljoenen mensen de grens over gevlucht, op zoek naar een veilig heenkomen. India’s eerste premier Nehru en zijn regering besloten een nieuwe stad te bouwen om beide problemen in een klap op te lossen.
Nehru wilde geen gewone stad, maar een met een voortrekkers rol: “Let this be a new city symbolic of the freedom of India, unfettered by the traditions of the past.” Bij gebrek aan architecten in eigen land nodigde de regering in 1949 de Amerikaan Mayer uit de taak op zich te nemen.
Mayer’s inspiratie kwam van Garden City Movement, die in tegenstelling tot de industriële boomtowns van die tijd, steden wilde bouwen die zelfvoorzienend waren en vooral veel groen boden aan haar inwoners. Mayer riep de hulp in van specialisten, waaronder zijn landgenoot Nowicki, waarmee hij het masterplan voor Chandigarh ontwikkelde. De kern van hun plan bestond uit “Superblocks”, wijken omgeven door wegen, rivieren en voorzien van parklandschap. In lijn met de traditie van tuinsteden vermeden ze zoveel mogelijk het geometrisch schaakbord patroon en schiepen een wereld van romantisch gebogen lijnen.
Maar het noodslot beschikte anders. Toen Nowicki in 1950 bij een vliegtuig ongeluk om het leven kwam, meende Mayer zonder Nowicki de enorme klus niet te kunnen klaren. Exit Mayer, entree Le Curbusier. Hij borduurde verder op Mayer’s ideeën, maar voerde de nodige veranderingen door. De pittoreske Superblocks vormde hij om tot meer rigide sectoren, die allemaal dezelfde afmeting hadden: woonwijken van 800 bij 1200 meter. Maar de essentie van de woonwijken liet hij in stand. Sectoren bleven een zelfvoorzienende eenheid vormen, met wonen, werken, winkels, scholen en recreatie in hun groene harten. Binnen de sectoren slechts kleine straten voor lokaal vervoer. Alleen tussen de sectoren verschenen lange, brede lanen die voor een goede doorstroming van het verkeer in de stad moesten zorgen.
Moderniteiten
Vijf dagen zal ik doorbrengen in Chandigarh, zo geniet ik van de rust en het weldadige groen. ’s Morgens wandel ik onder de winkelgalerijen van sector 22 naar 37. Sjieke hotels worden afgewisseld met kleine elektronica zaakjes, waar de modernste snufjes te krijgen zijn. Rbk (Reebok voor de ouderen onder ons) naast een traditionele sari winkel. Moderne binnenhuis prullaria naast een pinautomaat, die bewaakt wordt door een nog slapende Sikh met machine geweer.
Sector 37 telt vele cafés en restaurants. Als je McDonald, KFC en Pizzahut tenminste restaurants mag noemen. Costa is mijn favoriete café. De cappuccino in Coffee Day is de helft goedkoper, maar smaakt dan ook als thee met melk. Costa heeft bovendien fantastische Blueberry muffins die warm worden opgediend. Desgewenst met ijs en chocolade saus. De kranten hangen iedere ochtend weer netjes in het rek. Costa is ideaal.
En hip. Suresh heeft dezelfde gewoonte om de dag te beginnen met een goed bakkie. Hij werkt een eindje verderop in het hotel van zijn vader. “Family business,” noemt hij het liever. Suresh is het toonbeeld van een moderne Indiër. De jongeman heeft zijn opleiding hotel management in London genoten, stage gelopen in New York en Rome, draagt jeans, modern gekapt haar, en leren schoenen met de neus ietwat omhoog. “Italian design,” zegt hij trots glunderend. We praten over de komende verkiezingen, die hem geen barst interesseren, zijn Europese reizen, en de economische crisis. Het laatste onderwerp baart hem veel zorgen. De horeca krijgt harde klappen te voorduren.
De eerste dag dat ik hem ontmoette lag een dik pak papier voor hem op de kleine tafel. Het is zijn bellijst voor die dag. Andere hotels, die hij moet zien te interesseren voor deelname aan een nieuwe hotel-reservering-website. Ideetje van pa. “Won’t work, but what can I do? He is still the boss.” Suresh telt de dagen af totdat hij de zaak mag overnemen.
It’s rubbish. But it is art
Chandigar is meer dan Mayer en Le Corbusier. Het is ook een van de weinige voorbeelden waar moderne kunst een kans heeft gekregen een Indiase stad te verfraaien.
De Rotstuin is het levenswerk van Nek Chand Saini, een oud spoorwegmedewerker. Hij ontdekte per ongeluk zowel de creatieve mogelijkheden van afval als zijn artistieke kant. Het gebeurde gewoon. De Observer vatte het ooit zo samen: “It’s rubbish. But it is art.”
Nek Chand’s rotstuin is meer rots dan tuin. De rotsen raken me niet zo. Het is zoals in China. De grillige vormen vertellen een verhaal, maar ik spreek de taal niet. Sommige muren zijn verrassend, omdat ze niet van steen zijn, maar van restafval. Vooral stekkerdozen lijken Nek’s interesse te hebben getrokken.
Wat de tuin tot een van India’s hoogtepunten maakt zijn de beelden. Eenvoudig en sterk figuratief. Doordat ze meestal in groepen staan, wordt het effect dat ze oproepen versterkt. Honderden ogen kijken me aan. Sommige vrolijk, andere somber of melancholiek, een enkeling hartverscheurend. Veel van de beelden zijn versierd met scherven van borden en bekers. Anderen opgebouwd uit gebroken bangels, Indiaas kleurrijke armbanden.
Het meest recente deel van de tuin biedt een geheel andere aanblik. Grote kleurrijke mozaïeken spatten van de muren. Ze zijn een lust voor het oog en tonen een opgewekt en vrolijk karakter. Als je dichter op de afbeeldingen kruipt, blijken het vooral muur- en badkamertegels te zijn. Op een weidse plein staan beelden van witte paarden bovenop een slingerende muur van hoge bogen. En onder de bogen hangen lange schommels. Kunst met een knipoog.
Villawijken
De woonwijken rond de Rotstuin vormen het domein van de rijken. Hier wonen de upper middleclass en de nieuwe rijken. De villa’s afgegrensd met hoge muren en imposante hekken. Tuinen die eerder thuishoren in de betere Amerikaanse voorsteden. Dit is Beverly Hills of India.
Maar er wonen vreemd genoeg geen filmsterren. Het zijn meest advocaten, rechters en hoge leger officieren. De rijkdom van de laatste twee groepen is op z’n zachts gezegd opmerkelijk.
Fiere strijders op leeftijd
Anderhalf uur buiten Chandigarh ligt Anandpur Sahib. De dag na Holi begint daar een van de belangrijkste feesten van de Sikhs, Hola Mohalla.
Hola is de mannelijke vorm van het vrouwlijke Holi. Het woord “Mohalla” stamt uit het Arabisch en betekent zoveel als militaire optocht. En dat is tevens de essentie van het feest: het biedt de Sikhs een gelegenheid hun vechtkunsten te tonen in schijngevechten, een traditie die terug gaat tot Guru Gobind Singh in 1701.
De vechters zijn geen doorsnee Sikhs, maar Nihang (korkodil). Nihangs vormde de zelfmoord commando’s in de legers van de Moghul keizers. De grote mannen droegen blauwe uniformen, en waren gevreesd door vriend en vijand, omdat ze grote moed toonden en de dood niet vreesden.
Anadpur Sahib, het centrum van de Nihang orde, is bezaaid met witte tempels. De drukte is enorm, maar valt voor Indiase begrippen mee. Geen complete chaos, wel lange rijen gelovigen wachtend op hun beurt de tempels binnen te betreden. Buiten is het markt en kermis. Reuzenrad, suikerspinnen, jonge meisjes op het slappe koord.
In en rond de tempels tref ik veel exotisch uitgedoste kerels. Een paradijs voor (ontbrekende) fotografen. En de slachtoffers willen maar al te graag op de foto. Er zijn momenten dat ik nee moet verkopen. Het nadeel van de ijdeltuiterij is dat ze van iedere foto-gelegenheid het liefst een statieportret willen maken. De zon staat hoog aan het hemel, het licht hard en overweldigend. Wit marmer lijkt de favoriete bouwsteen van Sikh tempels. De weerkaatsing doet de eerste serie foto’s van die ochtend mislukken.
Het lukt me met veel pijn en moeite een paar groepen verklede bejaarden uit de menigte te halen en tegen een rode tempelmuur te zetten. Maar wat ik ook zeg of doe, ze blijven als verstijfde lijken in de houding staan en weigeren iedere aansporing om naar elkaar te kijken, te lachen of te bewegen op te volgen. Pff, dan maar een paar foto’s Indian style. De heren kijken kritisch naar het resultaat achterop de camera. Daarbij zijn ze vooral gefocussed op hun eigen beeld. Hangt de snor goed, is het zwaard zichtbaar, geen kreukels in het uniform? Gelukkig kunnen de statieportretten hun goedkeuring wegdragen. Ik begin me de weerstand te beseffen die Rembrandt moet hebben ondergaan toen hij de Nachtwacht opstelde.
Het zou de dag na Holi de eerste dag van het driedaagse festival moeten zijn. Maar het blijkt de laatste dag te zijn. “Nihangs don’t like to be told when to celebrate their festivals,” legt een Britse sikh uit. Mijn geluk, want de laatste dag biedt de grote parade. “It supposed to begin around 4 pm, but could easily start at noon or 6. Just watch the men in blue.” Een prima advies, want tegen tweeën zie ik de Nihangs, een eigenzinnige sekte binnen de sikh gemeenschap, en masse richting het stadium trekken. Suresh, mijn chauffeur en gids, spurt weg om de wagen te halen.
Het zal hem niet lukken, want de parade blokkeert de weg. Kleine, pittige paarden stuiven wild over het wegdek. De berijders zwaaien gevaarlijk met kromme zwaarden. Groepen blauwe mannen paraderen met vaandels, speren, sabels en geweren. Kinderen gooien zakjes gekleurde poeder uit over de toeschouwers. Zelfs politieagenten moeten eraan geloven. Hun bruine uniformen tonen al snel alle kleuren van de regenboog. Tot groot genoegen van de breed grijnzende Nihangs.
In het stadium is de gebruikelijke VIP-tribune met tuinstoelen, gescheiden van de betonnen zit- en staanplaatsen voor het plebs. Onder opzichtig vertoon van de camera met telelens kom ik onbelemmerd het veld op. Daar drentelen tientallen paarden nerveus in de rondte en doden twee olifanten de tijd met een concert van trompetgeschal. De krijgers met hun blauwe tulbanden en middeleeuwse wapens stormen niet veel later in groepjes het veld op. Het publiek juicht de vechtersbazen toe, terwijl de VIP’s worden verveeld met langdradige toespraken door andere VIP’s.
De zwaardgevechten waar ik op gehoopt had, zijn op onnavolgbare wijze uit het programma verdwenen. Daarvoor in de plaats hebben de Nihangs paardenraces ingelast. Niet twee paarden tegen elkaar, maar paard tegen mens. De berijder zet onverwacht zijn hakken in de flanken van het dier en stuift recht op de menigte af. Terwijl hij met zijn speer een baal hooi probeert te prikken, boort het paard zich een weg door de mensenmassa. Meest men-in-blue, maar ook een aantal fotografen … Pamplona tafrelen.
De helden worden door het publiek met gejuich binnengehaald. Na de eerste ronde, begint het betere werk. Eén man op twee paarden. Het gaat allemaal goed, totdat het fout gaat. Eerst dendert een berijder van de galopperende paarden, waarop de dieren de bocht uit vliegen en over een man met reuze tulban struikelen. De paarden zijn ongedeerd, maar de mannen worden als gevallen gladiatoren van het veld gedragen. Gevallen in de strijd, een eervolle zaak. Zoiets mag de pret niet drukken en het feest gaat verder.
Een uurtje later besluiten de Nihangs dat het mooi is geweest, verlaten opeens het terrein en vertrekken terug naar huis. De meeste met vrachtauto’s die afgeladen zijn met families Anderen op platte aanhangwagens achter hun tractoren.
Waar zijn de sloppen?
Chandigarh mag een modern ogende stad zijn, dat betekent niet dat al haar inwoners bulken van het geld. De galerijen waar ik ‘s morgens onderdoor loop richting Costa Coffee, tellen een fors aantal oneigenlijke bewoners, meest fiets-rickshaw-rijders. Ze slapen voor de winkels op hun dunne dekens of rieten matjes.
’s Avonds verzamelen anderen zich op de groenstroken langs de doorgaande wegen. Vrouwen met kinderen, oudere mannen en dronkelappen. Ze warmen zich rond de kleine kampvuurtjes. Ik zie geen enkele vorm van behuizing en vraag me al dagen af waar de sloppenwijken zijn.
Pas bij vertrek naar Jaipur zal ik daar achter komen. De sleeper bus staat geparkeerd op een weilandje aan de rand van stad. Kleine kinderen spelen tikkertje, de ouderen cricket. Aan de andere kant van de weg staan de eerste sloppen. Opgetrokken uit hout en zinken platen. Buiten een pomp waar de vrouwen de was doen. De wijk, die aan geen van de kenmerken van een Le Corbusier’s Sector voldoet, strekt zich eindeloos uit.
Terug naar India
Na vijf dagen “anders” is het welletjes. De bus brengt me terug naar Jaipur. Terug naar de zwaan-kleef-aan bedelaars, de astmatisch lucht, het zinloos toeterde verkeer, de snurkend varkens die door het straatafval wroeten, de stank van pis en rottende vis, de chaotisch kronkelende straten met half afgebouwde huizen, de woonbunkers en sloppenwijken zonder enig sprietje groen. Kortom, terug naar India.
Tijd voor vakantie
Mijn werk zit erop. Vrijwel alle plaatsen die ik op mijn lijstje stonden, heb ik bezocht. Door de schrijnende armoede en onveilige situatie in Bihar heb ik het platteland daar laten liggen. Sanchi, Savrasti, Darjeeling en Ayodya zijn erbij ingeschoten, omdat ze te ver uit de route lagen. En Mumbai omdat ik Mirjam niet de stuipen op het lijf wilde jagen. Van de tientallen verhalen die ik had voorbereid, bleek de helft gebakken lucht. Ik kon het spoor niet vinden, het verhaal klopte niet, de situatie was gewijzigd of de mensen die ik zocht bleken onvindbaar. Maar het grootste obstakel is en blijft de taal.
Reizen, schrijven en foto’s bewerken is opnieuw teveel van het goede gebleken. Veel verhalen zijn er bij ingeschoten. Zelfs het blog heb ik meermaals verwaarloosd om nog tijd over te houden om adem te halen. Het is te hopen dat de verhalen er de komende weken en maanden alsnog uitrollen.
Dank voor jullie commentaren en opbeurde woorden. Over een maandje ben ik terug in Nederland. Eerst nog een paar weken vakantie met Mirjam. In India of course, where else?














Ze woonden in eenvoudige hutjes en aten met andere studenten in de eetzaal. Behalve Ringo, die zich met moeite had laten overtuigen voor dit avontuur. Hij had kratten vol bonen en eieren meegenomen om het Indiase eten te omzeilen. Maar het mocht niet baten. De Stars mistten hun kinderen, Ringo kreeg snel genoeg van zijn eenzijdige dieet en Maureen kreeg angstaanvallen van de vele vliegen. Na tien dagen pakten ze hun koffers en keerden terug naar huis. 














Laatste reacties